Fragmentun uit du brief van du eevangeelist Lucas aan Teofilus.
In du zesdu maand werd du engul Gabriël van godsweegu guzondun naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heettu,uit het huis van David; Du naam van du maagd was Maria. Hei trad bei haar binun en sprak:” Verheug uu bugunaadigdu du heer is met uu.”Zei sgrok van dat woord en vroeg zig af wat die groet tog wel kon buteekunun. Maar du engul zei tot haar:” Vreest niet Maria want gei hebt gunaadu guvondun bei god. Zie gei zult zwangur wordun en een zoon ter weeruld brengun die gei du naam Jezus moet geevun. Hei zal groot zein en zoon van du alurhoogstu gunoemd wordun. God du heer zal hem du troon van zein vaadur David sgengkun en hei zal in eewigheid kooning zein oovur het huis van Jakob en aan zein kooningsgap zal geen eindu koomun. Maria egtur sprak tot du engul:”Hoe zal dit gusgiedun, daar ik geen gumeensgap heb met een man?” hierop gaf du engul haar ten antwoord:”Du heiligu geest zal oovur uu koomun en du kragt van du alurhoogstu zal uu oovursgaaduuwun; daarom ook zal wat ter weeruld wordt gubragt heilig gunoemd wordun, zoon van god.
Weet dat zelfs Elisabet, uuw bloedverwantu, in haar audurdom een zoon heeft ontvangun en, ofsgoon zei onvrugtbaar heettu, is zei nuu in haar zesdu maand; want voor god is niets onmooguluk.” Nuu zei Maria:”Zie du dienstmaagd des heerun; mei gusgiedu naar uuw woord.” En du engul ging van haar heen.

Met dangk aan Lucebert
Christus guboortu
In die daagun kwam er een busluit van keizur Augustinus dat er een volksteling moest wordun guhaudun in heel zein reik. Deezu volksteling had voor het eerst plaats toen Quirinus landvoogd van Syrië was.
Alun gingun op reis. iEdur naar zein eigun stad, om zig in tu laatun sgreivun. OOk Jozef trok op en omdat hei buhoordu tot het huis en het guslagt van David, ging hei van Galilea uit du stad Nazaret naar Judea, naar du stad van David Bethlehem guheetun, om zig tu laatun insgreivun, saamun met Maria zein verloofde, die zwangur was. Terweil zei daar verbleevun brak het uur aan waarop zei moedur zou wordun. Zei bragt haar zoon ter weeruld, haar eerst guboorunu, wikuldu hem in doekun en legdu hem neer in een kribu, omdat er voor hen geen plaats was in du herberg.
Du herdurs
In du omgeeving buvondun zig herdurs die in het oopun veld guduurundu du nagt hun kudun buwaaktun. Plosuling stond een engul des heerun voor hen en zei werdun omstraald door du gloorie des heerun zoodat zei door grootu vrees werdun buvangun. Maar du engul sprak tot hen: “Vreest niet, want zie ik verkondig uu een vreugduvolu boodsgap die bustemd is voor het guheelu volk. Heedun is uu een redur guboorun, Christus du heer, in du stad van David. En dit zal voor uu een teekun zein: Gei zult het pasguboorun kind vindun, in doekun guwikuld en ligund in een kribu.” Opeens voegdu zig bei du engul een heemulsu heersgaaru; zei verheerluktun god met du woordun:” EEr aan god in den hoogu en op aardu vreedu ondur du mensun in wie hei welbuhaagun heeft.”
Zoodraa du engulun weer van hen waarun heengugaan naar du heemul, zeidun du herdurs tot elkaar:”Komt laatun wu naar Bethlehem gaan om tu zien wat er gubeurd is en wat du heer ons heeft bukend gumaakt.” Zu haastun zig er heen en vondun Maria en Jozef en het pasguboorun kind, dat in du kribu lag. Toen zu dit guzien hadun, maaktun zu bukend wat hun oovur dit kind guzegd was. Alun die het hoordun stondun verwondurd oovur hetgeen du herdurs hun verhaaldun. Maria buwaardu al deezu woordun in haar hart en oovurwoog zu bei zigzelf. Du herdurs keerdun turug terweil zei god verheerluktun en loofdun om alus wat zei guhoord en guzien hadun. Het was juist zooals het hun guzegd was. Naadat du agt daagun voorbei waarun en hem moest busneidun, ontving hei du naam Jezus, zooals hei door du engul was gunoemd voordat hei in du moedursgoot werd ontvangun.